
We hebben allemaal honger Rita, zelfs ik, zelfs voor veel geld is er nog amper wat te koop. De enigen die geen honger hebben zitten in het landhuis, je bent mooi ga daar je geluk maar beproeven. Verbaasd keek Rita naar de dichte deur voor haar en dacht aan de vuile nagels en versleten trui. De Freule had er niet daverend uitgezien maar dat ze het zo slecht had, dat had ze niet verwacht. Het stemde haar droevig, de goedgeefse freule wees zelden iemand af. Twijfelend stond ze voor de deur van de villa en sjokte langzaam de oprijlaan af. Even keek ze om of misschien iemand uit de keuken haar zou wenken zoals de vorige keer maar nu ze eens goed keek zag ze vooral in welke slechte staat de ooit zo mooie villa was.
Eenmaal uit de overwoekerde tuin stond ze in tweestrijd, zou ze thuis gaan zeggen dat ze niets had of haar geluk gaan beproeven? Ze was toch duidelijk niet van plan een Duits liefje te worden. Ze haalde drieën op school voor Duits wat moest ze daar? Maar toen knorde haar maag en schoorvoetend overbrugde ze de afstand naar het landhuis. De wachtpost voor de deur vroeg haar in gebroken Nederlands wat ze moest. ‘Etwass zu essen meneer’, met een wild handgebaar wilde hij haar wegsturen maar leek zich te bedenken, ‘wir sind keine Barbaren’, mompelde hij. Hij draaide zich om en gaf uit een ijzeren bak een stuk droog brood. Zonder na te denken schrokte ze het op zonder aan haar fatsoen of familie te denken.
De aanblik moet de wachtpost aangezet hebben en de rest is geschiedenis. Ze was al van vloeren schrobben opgekropen naar de kantoren poetsen, de soldaten vonden het prachtig dat ze amper Duits verstond maar hoewel ze af en toe hele stukken misten hoorde ze nog genoeg. Niets belangrijks uiteraard, de jonge knullen van weinig betekenis hadden amper fatsoen en riepen als ze samen waren de schunnigste dingen naar haar. Maar als ze alleen waren staken ze haar regelmatig wat te eten toe, maakten een praatje en waren het net jongens van haar eigen leeftijd. Haar werk was zwaar en wat waren ze geschrokken toen ze bij het poetsen van de trap was gevallen. Die ene soldaat met die prachtige ogen had haar schijnbaar naar een bed gedragen en haar niet meer alleen gelaten. Nederlands sprak hij niet maar met eenvoudige zinnetjes werd al heel wat duidelijk.
Van poetsen kwam die dag niets meer terecht, het was nu ze dagelijks een goede maaltijd kreeg dat haar maag het niet aan kon. De dokter die haar kwam bezoeken wees haar op kleine beetjes eten en even later zat ze naast de soldaat met de mooie ogen in de auto op weg naar huis. Hij was chauffeur en reed zeer goed maar toch werd ze steeds beroerder. Op de achterbank stond een mand met voedsel, voedsel wat ze al maanden niet gezien had, ze kon er niet naar kijken doodsbang als ze was om de auto onder te spugen. Gelukkig was ze snel thuis.
De chauffeur zette de mand met voedsel in de keuken het was een vriendelijke man maar wat zouden de buren denken. Moeder kon maar niet stoppen met hem bedanken en begon dadelijk koffie te zetten. ‘Nein zuerst Rita ins Bett’, meer wist ze niet meer. Maar naar verluid had hij zich als een keurige man gedragen en zelfs toen vader thuis kwam met illegaal ‘gesprokkeld’ stookhout had hij niets gezegd maar geholpen de kar uit te laden. Normaal deed zij dat omdat vaders rug dat niet meer toeliet, hij strompelde meer en meer. Kurt had verteld over zijn jeugd veel ouder dan zij was hij niet maar hij had erge heimwee en voegde er hardgrondig aan toe dat die rotoorlog maar eens over moest zijn.
Hoewel het helemaal de bedoeling niet was, kwam Kurt elke week wel een keer langs. Dan eens met een paar broden, dan weer met een stuk vlees of paar potten jam. Ze waren nooit rijk geweest maar met 5 kinderen waarvan 2 nog in de luiers is alles welkom de mand eten èn haar loonzakje op vrijdag. Op een avond had haar moeder haar apart genomen. Rita beloof me dat je niet alleen met Kurt bent, hij is een goede partij maar de oorlog en wat als ze hem naar het front sturen? Hoewel ze helemaal niet op die manier aan Kurt had gedacht beloofde ze het plechtig.
De maanden gingen voorbij, de winter was verschrikkelijk maar gelukkig hield ze haar werk en had ze geluk dat er nog regelmatig wat door Kurt werd toegestopt. De oorlog liep op zijn eind waren ook de woorden van Kurt, hij had in die maanden weleens door laten schemeren wat hij van haar vond maar ze had hem resoluut, onbeschoft zelfs voor haar doen, afgewezen. Ze was hem dankbaar voor de gezellige avonden maar ze hadden kortgeleden afscheid moeten nemen, op haar fiets was hij gehaast naar Duitsland verdwenen.
Met haar armen op de rug zat ze op de stoel, om haar heen niets dan huilende vrouwen en meisjes. Ze was nog niet eens de jongste, dat meisje was hooguit twaalf ze was bevriend met haar buurmeisje. MOFFENHOEREN, MOFFENMEIDEN!! Werd er om haar heen gescandeerd. ‘Ik ben geen moffenhoer, ik heb nooit iets met een Duitser gedaan’. Spottend keken ze haar aan, ‘ik heb de wagen voor jullie deur zien staan’, ‘moffenhoer’. Verbeten maar in stilte huilde ze om haar laatste redelijk goede jurk die door hen kapot werd gescheurd. KIJK VOOR JE!!! schreeuwde een onbekende mannenstem, ruw werd haar hoofd recht geduwd. Ze keek op naar de kerk, om haar heen knipten scharen en schreeuwden meisjes en vrouwen. Maar net toen ze aan haar haar wilden beginnen hoorde ze een duidelijke stem ‘HALT’ roepen. ‘Stop of ik zet jou en je familie op straat, jullie waren ook niet braaf de laatste jaren’. ‘Neem mij ik heb haar gezegd naar de Duitsers te gaan’.
Even was het doodstil, zelfs de knippende scharen verstomde. Met een woest gebaar werd ze van de stoel gegooid en opgevangen door de menigte. Verbaasd krabbelde ze overeind en verwachtte half haar haar te zien liggen maar dat was niet zo. De kerels in hun blauwe overalls stonden met open monden van verbazing naar de Freule te kijken. Niemand verroerde zich toen ze opstond bloedend, beurs en vernederd. Achter haar scheen de zon scheen precies op de Freule in de kiosk en zo bedeesd als ze altijd was leek ze zich groot te maken met haar laatste restje kracht. Trots rechtop liep de Freule naar de stoel, even bleef ze staan keek fier in het licht en nam toen plaats. Niemand bewoog ook niet toen ze haar haar uit de knot op haar hoofd haalde en ze haar grijze haar losschudde.
Even keek de Freule haar aan een klein knikje zei haar dat ze moest gaan maar ze stond aan de grond genageld. Toen begon de Freule doordringend te spreken; ‘Jullie zouden je moeten schamen volwassen kerels die jonge meisjes aanranden hun kleren vernielen en ze veroordelen zonder eerlijk proces, zijn jullie zo onschuldig? Wij zijn geen barbaren!’ ‘Rita zocht werk en liet zich betalen in geld, in eten en melk zodat haar baby broertje niet zou sterven’. ‘Haar vader zou het nooit zo hebben gewild maar nu hij invalide was hadden ze geen keus dan aannemen wat ze kregen’. De Freule sprak en zelfs de grootste kerels keken naar hun voeten waar plukken haar zich om verzamelden, waaiend door de versleten oude muziektent.
Even hield de Freule in, haar blik ging over de kerk en nog net scheen het laatste licht van de dag op haar en toen sprak ze zacht en vermoeid; ‘Ga naar huis. Naar jullie moeders, naar jullie vrouwen en zusters. Schaam je. Jullie hebben je als beesten bedragen. Wij zijn geen barbaren!













Nicky zegt
Kippenvel.
Aukje zegt
Ademloos gelezen.
Mirjam Kakelbont zegt
Een verhaal om stil van te worden en met een duidelijke boodschap. Knap geschreven, Liesbeth.
rob alberts zegt
Goed beschreven
Vredelievende groet,
John zegt
Ja dat zijn we wel, barbaren. We zijn niets veranderd sinds de prehistorie.
Rianne zegt
Aangrijpend…
Dimario zegt
Mooi verhaal met een duidelijke boodschap.
Love As always
dimario
Naomi zegt
Wow…deze raakt me.
peter grey zegt
Mooi verhaal Liesbeth. Voeten waar plukken haar zich om verzamelen. Prachtig.
rietepietz zegt
Ik heb gelukkig al jong geleerd dat bij de “vijand” niet iedereen slecht was en bij de “onderdrukte” niet iedereen goed was.
Matroos Beek zegt
Ik werd stil van dit verhaal. Het herinnert eraan dat achter elke beslissing in oorlogstijd een mens van vlees en bloed schuilt, vaak gedreven door honger, angst en zorg voor familie.
Sjoerd zegt
Een mooi verhaal, die dingen gebeurden na de oorlog. De NSB’ers en anderen de met de vijand heulden hadden het niet makkelijk. Maar voor anderen was er soms geen andere keus…