Bij toeval rommelde ik door de garage, was op zoek naar een bak voor mijn boeken of een doos en het liefst beide. Maar iets vinden in een garage van een ander, wat een ellende. In mijzelf mopperend kwam ik steeds dichter bij de Willys jeep die ik wel weet te vinden, toen ze besloot me te laten schrikken. Ze toeterde en bromde tegelijk met haar motor en alle zooi die ik vast had slingerde ik van schrik van me af.

Ze grinnikte uit haar uitlaat, zo Liesbethje wat denk je ik kom die oude jeep eindelijk vertellen over het nieuwe gezinslid? Heel langzaam draaide ik me naar haar om, met oncharmant mijn mond open en een blos op mijn kop tot aan mijn oksels. Oeps, hoe lul ik me daar nou weer uit? Stotterend begon ik eraan. Ehm nou Willys, de kleine is een kater en hij heet Mickey. We zagen hem eind augustus voor het eerst maar pas halverwege september kregen we hem binnen. Hij is aan komen lopen, heb ik dat toen niet tegen je gezegd? Jawel, maar voorstellen is wat anders mopperde ze. Komt dat mormel ook in de achterbak ronken? Volgens mij ronk jij hoor jeep. Hè wat, vroeg de Willys? Zal ik de kleine even komen brengen jeep? Goede redding, gromde ze.
Ik maakte dat ik weg kwam, vond Mickey en al knuffelend liep ik met hem de garage weer in. Willys hield zich opvallend stil of zag ik daar even een verterende glimlach rond haar bumper?

Met een onwennige Mickey maakte ik vlot een paar foto’s, Willys bleef stil om de kleine vooral niet te laten schrikken. Terwijl ik Mickey weer meenam keek ik nog even om en zag Willys ordinair gapen, het is tijd voor haar winterslaap. Tegen de tijd dat zij weer wakker is, is Mickey vast al een grote kater.

Willys en Mickey